Geen ontheffing (ook) van vader uit ouderlijk gezag
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen de vader en de moeder is in 2006 dochter D geboren, over wie de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2015 is de moeder ontheven uit het ouderlijk gezag. D is uit huis geplaatst en woont bij haar grootouders.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: “de Raad”) blijkt dat er sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarvan D getuige is geweest. De vader is lange tijd uit beeld geweest, maar heeft hulpverlening gezocht en problemen overwonnen. Hij heeft echter nog niet alles op orde.
De vader heeft aangegeven dat het hem veel moeite heeft gekost om het ouderlijk gezag over D te krijgen. De Raad stelt vast dat de vader weinig invulling aan zijn gezag geeft. Tot voor kort heeft de vader zich bovendien negatief laten beïnvloeden door de moeder en heeft hij Jeugdzorg en de grootouders tegengewerkt. Hij heeft toegezegd dat hij dit zou verbeteren.
De contact- en omgangsmomenten met D verlopen redelijk goed, al komt het ook voor dat de vader haar te laat terugbrengt of afspraken afzegt. Daarnaast volgt uit de stukken dat de vader niet altijd in het beste belang van D handelt.
De Raad acht het van belang dat er zekerheid komt voor D, waarbij de jaarlijkse procedures voor veel onrust bij haar zorgen.
Volgens de vader is hij een goede omgangsvader en verloopt het contact en overleg met de grootouders en de school prima. De vader berust erin dat zijn dochter bij haar grootouders woont en dat het opvoedingsperspectief bij hen ligt. Eén en ander leidt er echter volgens de vader niet toe dat hij uit het gezag ontheven moet worden. Volgens de vader is zijn situatie vergelijkbaar die van veel andere vaders van wie de kinderen bij de moeder wonen en waar een goede en frequente omgangsregeling mee is; deze vaders worden ook niet uit het gezag ontheven.
De rechtbank constateert dat uit het Raadsrapport niet blijkt dat de vader als ouder ongeschikt of onmachtig zou zijn. Daarnaast volgen uit de rapportage onvoldoende feiten of omstandigheden dat de huidige situatie, waarbij D bij haar grootouders verblijft en de vader het gezag behoudt, niet in stand zou kunnen blijven. De Raad heeft niet voldoende onderbouwd dat D last heeft van het in stand laten van deze situatie. De Raad heeft bovendien onderschreven dat de vader (inmiddels) achter de uithuisplaatsing van zijn dochter staat en zich in de achterliggende periode coöperatief opstelt.
De rechtbank kan ex artikel 1:255 BW het gezag van de ouders beëindigen indien het duidelijk is dat zij niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. In casu gaat het om de invulling van de term “verantwoordelijkheid voor de opvoeding”. Alhoewel het getuige de wetsgeschiedenis niet de bedoeling is dat er langdurige ondertoezichtstellingen worden uitgesproken, is het ook niet uitgesloten. Er is niet geopteerd voor een maximale termijn voor ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing, waarna beëindiging van het gezag zou moeten volgen. Uitgaande van de wettekst kan de verantwoordelijkheid ook bestaan in het permanent ondersteunen van de zorg door pleegouders, zelfs als dat het voortduren van hulp of een ondertoezichtstelling inhoudt.
De rechtbank heeft onvoldoende informatie waaruit volgt dat de vader de laatste tijd niet zijn verantwoordelijkheid zal nemen voor het gezond laten opgroeien van zijn dochter bij de grootouders, noch dat hij de aangeboden steun niet zal accepteren. Wel is bij de vader een ontwikkeling nodig geweest, maar de rechtbank beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat de vader onder de huidige omstandigheden niet de verantwoordelijkheid zou kunnen dragen.
Gelet op het feit dat (1) de vader vrijwillig de hulp van Jeugdzorg en de bestendige plaatsing van zijn dochter bij de grootouders accepteert en (2) onvoldoende gebleken is dat de dochter last heeft van het in stand houden van de huidige situatie, ziet de rechtbank geen reden om het gezag van de vader te beëindigen. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad dan ook af.
Rechtbank Amsterdam, 6 januari 2016, C/13/592408 FA RK 15-5974, C/13/590484 FA RK 15-5089 (niet gepubliceerd).