Beëindiging van het ouderlijk gezag van moeder
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen de vader en de moeder zijn twee (thans nog minderjarige) kinderen geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Sinds oktober 2020 staan de kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI).
In maart 2021 worden de kinderen uit huis, bij de vader, geplaatst. Contact met de moeder hebben zij niet meer.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om het gezag van de moeder over de kinderen te beëindigen.
De rechtbank oordeelt dat aan het criterium van artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen, nu de moeder niet in staat is om een juiste invulling te geven aan het gezag en geen contact met de kinderen wil. De moeder vertoont zeer onvoorspelbaar gedrag, met extreem wisselende stemmingen en geeft geen (emotionele) toestemming aan de kinderen om bij de vader op te groeien. Deze situatie speelt al gedurende langere tijd. Er wordt geen perspectief op verbetering gezien. De moeder stelt zich blijvend afwijzend op richting de hulpverlening. Bovendien zijn er geen mogelijkheden gevonden om tot een zorgregeling met de kinderen te komen.
Het gezamenlijk gezag leidt in de praktijk tot problemen, wat een negatieve weerslag op de kinderen heeft. De moeder houdt voortdurend beslissingen die in het belang van de kinderen worden geacht tegen, waardoor er telkens juridische procedures gestart dienen te worden. Dit heeft een stagnerend effect op belangrijke beslissingen die soms dringend genomen moeten worden. Het strijdt met de belangen van de kinderen en leidt tot onduidelijkheid, onzekerheid en stress. Het gezag van de moeder heeft een schadelijk effect op de kinderen. Omdat geoordeeld wordt dat deze situatie niet zal veranderen, zullen de kinderen – naarmate zij ouder worden – hier in toenemende mate last van krijgen en zullen zij zich steeds meer realiseren dat de oorzaak van de stagnatie bij de moeder ligt. Dit is niet goed voor het (toch reeds kwetsbare) beeld dat zij van de moeder hebben. Daarnaast hebben de kinderen, ondanks dat de vader zich inspant hen hier buiten te houden, er last van dat er telkens een rechtszaak nodig is, mede die in verband met verlengingsverzoeken ter zake van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.
Al met al is voor de rechtbank duidelijk dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen, noch om gezagsbeslissingen in het belang van de kinderen te nemen. Daarnaast is de aanvaardbare termijn naar het oordeel van de rechtbank verstreken. De kinderen wonen inmiddels (ruim) drie jaar bij de vader en het gaat goed met hen. De vader biedt de kinderen een veilige opvoedsituatie en geeft ruimte voor contact met de moeder. Het is bedroevend voor de kinderen dat zij dit contact afhoudt. Er is geen perspectief op verandering bij de moeder, waarbij zij mee zal gaan werken aan de hulpverlening om tot contact met de kinderen te komen. De vader heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij het liefst in samenspraak met de moeder beslissingen zou nemen over de kinderen en de communicatie zo open mogelijk wil houden, maar anderzijds ziet en ervaart hij ook de ongemakken van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Voor de ontwikkeling van de kinderen is het van belang dat zij duidelijkheid krijgen over de vraag wie de belangrijke beslissingen over hen zal nemen. De kinderen zijn gebaat bij rust, duidelijkheid en stabiliteit, en dat krijgen zij bij de vader. De rechtbank wijst het verzoek van de GI tot gezagsbeëindiging van de moeder dan ook toe.
De uitspraak is hier te lezen.