Hof oordeelt in appel dat de kinderrechter kinderen op oneigenlijke grond uit huis heeft geplaatst
In deze zaak oefenen vader (V) en moeder (M) het gezamenlijke gezag uit over hun twee minderjarige kinderen uit.
Sinds twee jaar hebben de kinderen hun hoofdverblijf bij hun vader. Op 6 december 2024 werden zij onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI). Op 12 februari 2025 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op het hoofdverblijfadres van M, gevolgd door een machtiging op 21 februari tot 6 juni 2025. V stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
V stelt dat de GI zonder hoor en wederhoor negatieve aannames over hem had gedaan. Hij wees daarbij op het ontbreken van een vruchtbare samenwerking met de GI, mede veroorzaakt doordat er onvoldoende rekening was gehouden met zijn autismespectrumstoornis.
V benadrukte dat de kinderen veilig bij hem verbleven en dat de uithuisplaatsing hen plotseling bij hem weghaalde, inclusief bij hun school, sociale kring en contact met grootouders. Volgens V had de GI andere, minder ingrijpende, middelen kunnen inzetten.
De GI voerde aan dat de kinderrechter de machtiging terecht had verleend, aangezien V onvoldoende meewerkte aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hierdoor ontbrak zicht op de veiligheid van de kinderen. V zou afspraken afzeggen en eisen stellen aan de GI en bovendien intimiderend gedrag vertonen.
Contact tussen V en de kinderen bleef uit omdat hij weigerde in te stemmen met de voorwaarden die de GI stelde.
M sloot zich aan bij het standpunt van de GI. Volgens haar zaten de kinderen ‘klem’ bij V en belemmerde hij het contact tussen de kinderen en haar. Ook zij stelde dat V onvoldoende meewerkte aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
In het kader van de ondertoezichtstelling is het aan de GI om beschikbare middelen in te zetten om ervoor te zorgen dat V wel gaat meewerken. Een mogelijkheid is het geven van een schriftelijke aanwijzing, waardoor de GI V kan verplichten om iets te doen of laten.
Het hof oordeelde dat uit de eerdere beschikking van 18 februari 2025, waarin de ondertoezichtstelling werd bekrachtigd, blijkt dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De machtiging tot uithuisplaatsing is echter een zwaar middel dat slechts mag worden ingezet als het noodzakelijk is voor de verzorging, opvoeding of het onderzoek naar de geestelijke gesteldheid van het kind (artikel 1:265b BW).
In dit geval was daar onvoldoende sprake van. Uit de stukken bleek niet dat de kinderen bij V in een directe onveilige situatie verkeerden. De machtiging lijkt te zijn gebruikt als drukmiddel om V tot medewerking aan de ondertoezichtstelling te bewegen. Het hof beschouwt dit als een oneigenlijk gebruik van deze ingrijpende maatregel en wijst het verzoek van de GI alsnog af.
Wel benadrukt het hof dat het cruciaal is dat V vanaf nu wél meewerkt aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Alleen zo kan de ondertoezichtstelling haar doel, het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging, bereiken.
De volledige uitspraak is hier te lezen.