Ouders van kind met voortdurende pijn gingen op internet op zoek naar een arts, kindermishandeling?
De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft op 13 juni 2025 een spoedmaatregel verzocht ten aanzien van twee minderjarige kinderen: M1 en M2. Hierbij werd een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) opgelegd voor beide kinderen en één van hen, M1, werd met spoed uit huis werd geplaatst.
De maatregelen werden genomen op basis van vermoedens van kindermishandeling door de ouders, met name door medische falsificatie. De RvdK stelde dat de ouders medisch onnodige trajecten in binnen- en buitenland hadden opgezet.
De kinderrechter oordeelt dat de spoedmaatregelen ten onrechte zijn opgelegd. Volgens de rechter is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een VOTS, zoals opgenomen in artikel 1:257 BW.
De rechter wijst erop dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, zoals vereist voor een VOTS. De ouders hebben consistent medische hulp gezocht voor aanhoudende buik- en beenklachten van M1.
Omdat de ouders geen duidelijke diagnose kregen, zijn zij zelf op het internet verder op zoek gegaan. Daar vonden zij mensen met dezelfde klachten en een aantal van hen zijn door de in Spanje werkzame dr. D behandeld, waarna het beter met hen ging. Om die reden hebben de ouders contact gezocht met dr. D.
Dr. D heeft op basis van aanvullende onderzoeken bij M1 de zeldzame aandoeningen Syndroom van Wilkie en May-Turner Syndroom vastgesteld. In Nederland zijn deze onderzoeken nooit uitgevoerd. De syndromen hebben te maken met de aderen van M1, terwijl de artsen in Nederland voornamelijk naar het darmstelsel hebben gekeken.
De rechter benadrukt dat de RvdK, Veilig Thuis en het LECK hebben nagelaten contact op te nemen met deze buitenlandse arts om de medische informatie te verifiëren. Ook ziet de rechter geen reden om te twijfelen aan de professionaliteit van dr. D, die verbonden is aan een gespecialiseerd ziekenhuis in Spanje.
Ten aanzien van M2 ontbreekt eveneens elke aanwijzing voor een ontwikkelingsbedreiging. De GI gaf zelf aan dat er geen noodzaak was voor een VOTS van M2.
Daarnaast stelt de rechter vast dat ook aan het tweede vereiste van een VOTS, het niet voldoende accepteren van hulp, niet is voldaan. De RvdK kon niet concreet aangeven welke hulp de ouders niet hebben geaccepteerd.
De ouders gaven aan in afwachting te zijn geweest van een verwijzing naar de GGZ en hebben inmiddels zelf actie ondernomen om de benodigde hulp in gang te zetten.
De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van M1 wordt herroepen. De kinderrechter oordeelt dat de plaatsing niet in belang van M1 is, aangezien er geen dagbesteding of behandeling plaatsvindt op de plek waar hij verblijft. Bovendien is een uithuisplaatsing slechts mogelijk als een ondertoezichtstelling is opgelegd, wat hier niet meer het geval is aangezien de VOTS is afgewezen.
De volledige uitspraak is hier te lezen.