Afwijzing verzoek tot uithuisplaatsing, want gebaseerd op gedateerde informatie
Partijen zijn de ouders van hun babydochter D, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk uitoefenen.
Op 13 mei 2022 wordt een zogenaamd “zes-ogen-beleid” ingevoerd, inhoudende dat er altijd een derde persoon bij de ouders en dochter D aanwezig dient te zijn. Afgesproken wordt dat dit door familieleden wordt ingevuld.
Op 1 juni 2022 wordt dochter D onder toezicht van de GI gesteld en met spoed uit huis in een crisispleegezin geplaatst, omdat het ziekenhuis bij haar meerdere breuken heeft vastgesteld, die op drie verschillende momenten lijken te zijn aangebracht en waarvoor de ouders geen verklaring hebben.
Op 9 juni 2022 trekt de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing per direct in, omdat de ouders een geloofwaardige mogelijke verklaring hebben gegeven voor het ontstaan van de fracturen. Die uitspraak is hier te lezen.
De GI verzoekt opnieuw om uithuisplaatsing van dochter D, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI stelt dat het Openbaar Ministerie (OM) op 13 juni 2022 nieuwe verontrustende informatie heeft aangeleverd over telefoontaps van de ouders. De tapverslagen waren echter ten tijde van de mondelinge behandeling op 9 juni 2022 echter nog geheim en konden dus niet door de kinderrechter worden meegenomen in de beoordeling of dochter D weer bij haar ouders kon wonen. De GI meent daarentegen dat deze verslagen vanuit het veiligheidsbelang voor dochter D wél moeten worden meegenomen in die beoordeling. Uit de taps blijkt dat de ouders zich niet – afdoende – aan het zes-ogen-beleid hebben gehouden.
De ouders voeren aan dat de informatie uit de telefoontaps op 14 mei 2022 ziet, een dag nadat het zes-ogen-beleid was ingevoerd. Binnen de familie van de ouders was die dag een bruiloft, waardoor het lastig was een familielid te vinden dat bij hen kon blijven. Uiteindelijk was een nicht beschikbaar. In de tussentijd stond Veilig Thuis voor de deur om te controleren of de ouders zich aan de veiligheidsafspraken hielden. De ouders geven toe dat zij toen niet hebben opengedaan, dat er gedurende een zeer korte periode van zo’n 10 minuten geen derde paar ogen aanwezig is geweest. Zij verklaren dat dit de enige keer was dat zij zich niet aan de afspraken hebben gehouden.
De rechtbank is van oordeel dat uithuisplaatsing van dochter D niet noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265c lid 2 BW. Beslissend hiervoor is dat ter zitting duidelijk is geworden dat de ouders zich sinds de terugplaatsing van dochter D op 9 juni 2022 aan de veiligheidsafspraken hebben gehouden. Verder neemt de rechtbank in overweging dat de recent gemaakte skeletfoto van dochter D geen nieuw letsel aan het licht heeft gebracht.
De rechtbank heeft er begrip voor dat de GI schrikt van een melding van het OM over schending van de gemaakte veiligheidsafspraken door de ouders, echter zij hebben ter zitting geloofwaardig verklaard over wat hiervan de achtergrond was. Niet gebleken is dat de ouders nadien de veiligheidsafspraken hebben geschonden.
De rechtbank acht de schending van de veiligheidsafspraken op 14 mei 2022, zo recent nadat de afspraken waren ingegaan, niet voldoende zorgwekkend om dochter D opnieuw uit huis te plaatsen. Mede gelet op het feit dat de ouders zich in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling meewerkend opstellen.
Het verzoek van de GI wordt dan ook door de kinderrechter afgewezen.
De uitspraak is hier te lezen.