Begeleide of onbegeleide omgang in tijden van Corona?
In 2011 is zoon Z uit de moeder geboren, over wie zij van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent.
In 2017 wordt Z onder toezicht gesteld van de GI en uit huis – in het huidige pleeggezin – geplaatst. Tussen hem en de moeder is een omgangsregeling van kracht, die op 19 maart 2020 door de GI wordt opgeschort in verband met de maatregelen rondom het Corona-virus.
Op 2 juni 2020 ontvangt de moeder een schriftelijke aanwijzing van de GI, waarin staat dat bij de omgangsmomenten met Z in de maanden juni en juli zullen plaatsvinden in het bijzijn van de pleegouders.
De moeder verzoekt de Kinderrechter om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en te bepalen dat de huidige, onbegeleide omgangsregeling kan worden hervat. Zij heeft Z inmiddels bijna drie maanden niet gezien.
De Kinderrechter overweegt dat de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s en de daaruit voortvloeiende noodverordeningen ten tijde van de aanloop naar de aanwijzing, gelet op het grote belang van de volksgezondheid, voldoende wettelijke grondslag boden voor de zogenoemde 1.5-meter-regel, ook al grijpt die in in het family life van ouders en minderjarige kinderen die niet tot een zelfde huishouden behoren, zoals in het geval van Z en de moeder. Het antwoord op de vraag of deze regel, gelet op de inmiddels veranderde omstandigheden thans nog voldoende wettelijk basis heeft, laat de rechtbank in het midden, nu van de jeugdbeschermer niet kan worden verwacht dat deze zich steeds een eigen oordeel vormt over de rechtmatigheid van de door de overheid afgekondigde maatregelen.
Gelet op (1) de bijzondere omstandigheden in het begin van de Coronacrisis, (2) de onbekendheid over het ontstaan en de gevolgen ervan en (3) de landelijk afgekondigde maatregelen en richtlijnen, waaronder de 1.5-meter-regel, is de Kinderrechter van oordeel dat de GI op 19 maart 2020 kon en mocht besluiten om de driewekelijkse omgang op te schorten, temeer nu de pleegouders kennelijk tot een risicogroep behoren. Vast staat dat de GI er niet aan twijfelde dat de moeder in staat is om de 1.5-meter-regel na te leven, maar dat het voor de pleegouders heel moeilijk was om dit buiten hun eigen controle te laten plaatsvinden. Vast staat ook dat de omgang vooral is opgeschort omdat de GI inschatte dat de 1.5-meter-regel niet gehandhaafd zou kunnen worden als Z tijdens een bezoek aan de moeder, bijvoorbeeld na een val, getroost zou moeten worden. De moeder zou dat, gelet op die regel, niet mogen doen. De Kinderrechter heeft begrip voor dit standpunt, maar is anderzijds van oordeel dat er meer inspanningen hadden moeten worden verricht om te bezien op welke wijze wel contact tussen Z en zijn moeder, die bereid was de 1.5-meter-regel na te leven, had kunnen plaatsvinden. In ieder geval hadden in de beginperiode afspraken dienen te worden gemaakt over bijvoorbeeld videobellen of contact via Skype. Dat dit, zoals de GI betoogt, te belastend zou zijn voor het pleeggezin, omdat dan ook de andere pleegkinderen in het gezin in de gelegenheid gesteld zouden moeten worden om te videobellen met hun ouders, is naar het oordeel van de Kinderrechter geen reden om dat niet te doen. Het zonder meer stopzetten van alle contact is in strijd met het onder meer in het EVRM gewaarborgde recht op family life.
Nu de virusuitbraak in Nederland lijkt te zijn ingedamd en het maatschappelijk leven op steeds meer punten wordt hervat, is de Kinderrechter van oordeel dat thans, in dit geval, het recht op (onbegeleide) omgang prevaleert boven de 1.5-meter-regel. De Kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder, evenals de pleegouders, zich houdt aan de landelijke adviezen en richtlijnen en dat zij als zij Corona-achtige verschijnselen heeft, het bezoek zal afzeggen.
De Rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe.
De uitspraak is hier na te lezen.