De Hoge Raad bepaalt dat de gezinsvoogd de vastgestelde zorgregeling mag wijzigen
Uit het huwelijk tussen de ouders is in 2007 zoon Z en in 2011 dochter D geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
In 2019 wordt het huwelijk tussen de ouders door echtscheiding ontbonden. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader en D bij de moeder. Beide kinderen staan onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).
De ouders verzoeken de Rechtbank om een omgangsregeling tussen hen en de kinderen vast te stellen. De Rechtbank wijst het verzoek toe en bepaalt dat de kinderen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven.
De moeder gaat in hoger beroep. Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank en bepaalt aanvullend dat de gezinsvoogd in het belang van Z voor de duur van de ondertoezichtstelling wijziging in de zorgregeling kan aanbrengen, met dien verstande dat er in ieder geval een regelmatig contact tussen Z en de moeder dient te blijven bestaan.
De uitspraak van het Hof is hier na te lezen.
De moeder gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Volgens haar is het het Hof niet toegestaan om wijziging van een door de Rechtbank vastgestelde zorgregeling aan de gezinsvoogd over te laten. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de moeder naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018. Die uitspraak is hier na te lezen.
De Hoge Raad overweegt als volgt. De beslissing van het Hof dat de gezinsvoogd in het belang van Z tijdelijk – voor de duur van de ondertoezichtstelling – wijziging in de zorgregeling kan aanbrengen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het door de moeder aangehaalde arrest leidt niet tot een andere beslissing. Dat oordeel houdt in dat wanneer een GI het van belang acht dat een door de rechter vastgestelde zorgregeling met betrekking tot een onder haar toezicht gestelde minderjarige wordt gewijzigd, zij niet door middel van het geven van een schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:265f BW die zorgregeling opzij kan zetten. De GI dient in dat geval ex artikel 1:265g lid 1 BW de Kinderrechter te verzoeken om de vastgestelde zorgregeling te wijzigen. In casu is het echter de rechter zelf die, in het kader van de vaststelling van de zorgregeling, de gezinsvoogd ruimte laat om tijdelijk (zolang de ondertoezichtstelling duurt) de contacten tussen de minderjarige en één van de ouders te beperken. Indien de rechter dat in het belang van het kind noodzakelijk acht, staat hem dat vrij. In dit kader verwijst de Hoge Raad naar de uitspraak van 28 maart 2014. Die uitspraak is hier na te lezen.
Ook de klacht dat het Hof niet kon volstaan met de conditie dat er in ieder geval regelmatig contact tussen Z en zijn moeder zal blijven bestaan, faalt. In het licht van de door het Hof genoemde omstandigheden is de beslissing om de bevoegdheid van de gezinsvoogd niet aan stringentere voorwaarden te onderwerpen, niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad merkt nog op dat indien de ouders het niet eens zijn met de wijze waarop de gezinsvoogd gebruikmaakt van de hem door het Hof gegeven bevoegdheid om de zorgregeling te wijzigen, hij c.q. zij zich op de voet van artikel 1:262b BW tot de Kinderrechter kunnen wenden. Verder kan hij c.q. zij in geval van gewijzigde omstandigheden de Rechtbank verzoeken de zorgregeling te wijzigen op grond van artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377e BW.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. De uitspraak is hier te lezen.