Is verlenging van een ondertoezichtstelling mogelijk nadat de bestaande ondertoezichtstelling is geëindigd?
De ouders van zoon Z hebben het gezamenlijk gezag over Z. Z wordt in 2011 onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling om vervolgens in 2018 uit huis te worden geplaatst bij een pleeggezin. De ondertoezichtstelling eindigde op 24 november 2019.
In 2019 verzoekt de gecertificeerde instelling aan de Rechtbank om een verlenging van de ondertoezichtstelling van Z voor de duur van een jaar. De Rechtbank wijst dit verzoek toe bij beschikking van 28 november 2019. Het Gerechtshof bekrachtigt deze uitspraak bij beschikking van 9 juni 2020. Deze uitspraak is hier na te lezen.
De vader van Z stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad en betoogt aldaar dat het verzoek tot verlenging van machtiging uithuisplaatsing niet mogelijk kon zijn daar geen sprake meer was van ondertoezichtstelling. Deze liep af voordat het verzoek tot de verlenging machtiging uithuisplaatsing werd gedaan door de gecertificeerde instelling. Het hof heeft dit ten onrechte niet ambtshalve geconstateerd volgens de vader.
De Hoge Raad overweegt dat de Rechtbank de ondertoezichtstelling op 28 november 2019 heeft verlengd tot 24 november 2020, ondanks dat deze was geëindigd op 24 november 2019. Hiervan is niet in hoger beroep genomen. Het door de vader ingenomen standpunt dat de verlenging geen effect sorteert en de verlenging van de ondertoezichtstelling derhalve niet bestaat, wordt in de weg gestaan door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Om die reden diende het Hof bij zijn beslissing uit te gaan van het door de Rechtbank in eerste aanleg was besloten, zijnde het toewijzen van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep met de overweging dat het Hof niet ambtshalve hoefde over te gaan tot vernietiging van de beslissing van de Rechtbank tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing enkel omdat de ondertoezichtstelling was verlopen.
De uitspraak is hier na te lezen.