Opheffing van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI: onvermijdelijk en onbevredigend
Uit de affectieve relatie tussen de ouders zijn twee kinderen geboren, in 2010 dochter D en in 2012 zoon Z, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2020 wordt de relatie tussen de ouders beëindigd. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader, Z bij de moeder.
Vanwege de voortdurende strijd tussen hun ouders staan de kinderen sinds december 2023 onder toezicht van de Gecertifieerde Instelling (hierna: de GI).
De GI verzoekt de rechtbank om de ondertoezichtstelling van de kinderen op te heffen.
De rechtbank overweegt dat niet vastgesteld kan worden of nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Er zijn nog wel zorgen over de kinderen. De ouders kunnen niet met elkaar overleggen over zaken die hun kinderen aangaan, zoals een vakantie van Z met M naar Rome. Die vakantie ging op het laatste moment niet door, omdat het niet lukte tijdig af te stemmen wanneer die vakantie zou plaatsvinden. Z heeft het daar heel moeilijk mee gehad, en dat is begrijpelijk. De GI heeft de zorgen over de kinderen niet verder kunnen onderzoeken, omdat de vader elk contact met de GI afhoudt. De kinderen willen ook niet met de GI praten.
De ouders vinden dat het goed (genoeg) gaat met D en Z. Ook vanuit school zijn er geen signalen over zorgen over de kinderen.
Ook als nog wel sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, constateert de rechtbank dat een ondertoezichtstelling die niet kan wegnemen. De vader weigert immers stelselmatig ieder contact met de hulpverlening, waaronder de GI. Hij vindt dat de ondertoezichtstelling is gebaseerd op frauduleuze en onjuiste informatie. De GI heeft de vader geen schriftelijke aanwijzing gegeven, omdat dit de kinderen in een moeilijke positie zou brengen. De ondertoezichtstelling is om die reden niet uitvoerbaar.
De moeder wil wel graag hulp om de patstelling tussen haar en de vader te doorbreken. Zij voelt zich machteloos, aangezien zij dat niet alleen kan. Ook maakt zij zich zorgen over de vraag hoe gezagsbeslissingen genomen dienen te worden als de situatie niet wijzigt. De moeder vindt het daarom verdrietig dat de ondertoezichtstelling niets heeft kunnen brengen. Zij wenst parallel ouderschap te volgen om te leren hoe om te gaan met deze situatie.
Nu is voldaan aan de wettelijke criteria zoals neergelegd in artikel 1:261 lid 1 en 1:255 lid 1 BW, wijst de rechtbank het verzoek van de GI toe. De rechtbank maakt zich evenwel nog steeds zorgen over (de positie van) de kinderen. Zij kunnen er niet op rekenen dat de ouders, die daarvoor verantwoordelijk zijn, met elkaar afstemmen en samen (gezags)beslissingen nemen. Dat betekent dat zij niet weten of zaken die voor hen belangrijk zijn geregeld worden, terwijl zij dat niet zelf kunnen. De rechtbank vindt het te prijzen dat de moeder parallel ouderschap wil volgen. De vraag is echter of alleen dat voldoende ondervangt waar de (gezaghebbende) ouders voor staan. Uit hetgeen de vader ter zitting heeft verklaard, maakt de rechtbank verder op dat in ieder geval Z door hem als een boodschapper is ingezet: hij moest aan zijn moeder vertellen wanneer hij met zijn vader naar Rome zou gaan. Die rol is voor Z onmogelijk en onwenselijk. Ten slotte maakt de rechtbank zich zorgen over de vader, die ter zitting (maar ook eerder) een emotioneel instabiele indruk maakte.
De rechtbank concludeert tot opheffing van de ondertoezichtstelling, een onvermijdelijke maar ook onbevredigende beslissing.
De uitspraak is hier te lezen.