Pas na uithuisplaatsing is hulpverlening ingezet door GI: "kwalijk" oordeelt het hof en vernietigt de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing
De kinderrechter kan een kind uit huis plaatsen indien dit voor de verzorging en opvoeding van een kind noodzakelijk is. De kinderrechter kan de uithuisplaatsing verlengen, alleen indien de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De kinderrechter kan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgeven, indien de zitting niet kan worden afgewacht vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind.
In deze zaak is het hof van oordeel dat de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing onterecht zijn verleend.
Het hof stelt vast dat de minderjarige een kwetsbaar jongetje is. Hij heeft weinig inzicht in wat er om hem heen gebeurt en heeft neutrale, korte instructies nodig, die zo vaak als mogelijk herhaald worden. Hij is gauw overvraagd en overprikkeld. Dat uit hij in ernstige gedragsproblemen, zoals slaan, bijten, spugen en spullen kapotmaken. De minderjarige functioneert op sociaal-emotioneel gebied op het niveau van een kind van achttien maanden. Dit maakt dat hij erg veel vraagt van zijn opvoeders.
De GI vindt dat de vader niet aan deze opvoedvraag van de minderjarige kan voldoen. De GI had voor de uithuisplaatsing van de minderjarige zorgen over zijn emotionele en fysieke veiligheid. Volgens de GI was de vader overvraagd door de opvoeding. De GI vindt ook dat de vader onvoldoende leerbaar is en stelt dat de opvoedsituatie, ondanks de inzet van hulpverlening, niet verbeterde.
Het hof is van oordeel dat de GI deze stellingen niet voldoende heeft onderbouwd. De vader heeft aangevoerd dat hij niet de hulpverlening kreeg die hij nodig had toen de minderjarige nog bij hem woonde. De vader heeft aangegeven dat hij een indicatie had voor vijftien uur opvoedondersteuning per week, maar dat hij in de praktijk slechts maximaal zes uur begeleiding kreeg. Dit heeft de GI niet betwist. De vader heeft vaak bij de GI aangekaart dat hij meer of beter passende hulpverlening nodig had, maar de GI heeft die hulpverlening niet ingezet. De GI brengt in het verweerschrift naar voren dat de vader beperkt inzicht heeft in de problematiek van de minderjarige. De vader heeft echter terecht opgemerkt dat ditzelfde geldt voor de GI. De GI heeft namelijk ter zitting verteld dat er nog meer diagnostiek onderzoek moet komen voor de minderjarige. Tot nu toe was zijn leven daarvoor nog te onrustig. Het hof stelt vast dat de problematiek van de minderjarige zeer complex is en vindt het begrijpelijk dat zowel de GI, als de vader hierin nog beperkt inzicht hebben. Het hof is daarentegen ook van oordeel dat de GI niet om deze reden kan concluderen dat de vader onvoldoende leerbaar is om aan te sluiten bij de minderjarige: je moet eerst weten wat een kind nodig heeft, voordat je kunt beoordelen of een ouder dat aan het kind kan bieden.
Hetzelfde geldt voor de opmerking van de GI dat de vader de minderjarige tegen de adviezen in meenam naar prikkelrijke omgevingen, waaronder de kermis of de supermarkt.
Het hof is van oordeel dat de GI ook onvoldoende heeft onderbouwd dat de vader overvraagd werd door de opvoeding van de minderjarige. De vader heeft onbetwist gesteld dat de minderjarige in de periode voor de uithuisplaatsing al extra overprikkeld was, vanwege het feit dat hij twee uur per dag in de taxi zat naar school. Hij kon vanaf april 2023 niet meer naar school, omdat het taxibedrijf de minderjarige niet meer wilde vervoeren. De GI heeft destijds geen vervangende dagbesteding voor de minderjarige geregeld, terwijl al sinds december 2022 bekend was dat hij vanaf 30 juni 2023 sowieso geen dagbesteding meer had. Hierdoor zat de vader hele dagen thuis met de minderjarige. Dat hij daardoor overvraagd raakte is niet vreemd: de pleegouders van de minderjarige hebben de GI laten weten dat zij de zorg voor hem ook niet aan konden als hij geen dagbesteding had. Die dagbesteding is vervolgens door de GI wel geregeld sinds de minderjarige bij de pleegouders woont. Niet gebleken is dat de GI zich heeft ingespannen om dagbesteding voor de minderjarige te regelen toen hij nog bij de vader woonde.
Het hof stelt vast dat sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige aanzienlijk meer hulpverlening is ingezet dan daarvoor, toen hij nog bij de vader woonde. Zo gaat de minderjartige sinds juni 2023 naar een nieuwe dagbesteding. Verder verblijft hij in een gezinshuis met twee gezinshuisouders. De gezinshuisouders krijgen intensieve en professionele ondersteuning van een gedragswetenschapper en een gezinshuishulpverlener. De ouders van de minderjarige hebben verteld dat zij tijdens de gehele ondertoezichtstelling van hun kind regelmatig hebben gevraagd om extra hulpverlening, maar dat zij die nooit gekregen hebben. Het lijkt erop dat er sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige op dat gebied plotseling een stuk meer mogelijk was. Dat is uiteraard prettig voor de minderjarige, maar het hof vindt het wel kwalijk dat de GI niet eerder op de uitdrukkelijke hulpvraag van de ouders stappen heeft ondernomen om die hulp in te zetten bij hen. Dat het in het gezinshuis nu beter gaat met de minderjarige is mogelijk mede het gevolg van d(i)e hulpverlening, die pas na de plaatsing in het gezinshuis werkelijk op gang is gekomen. De GI heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat met dezelfde inzet van hulpverlening niet hetzelfde resultaat bij de vader thuis zou zijn behaald.
Een uithuisplaatsing is een zeer verstrekkende maatregel, die alleen mag worden ingezet als een laatste redmiddel. Het uitgangspunt is dat een kind moet opgroeien bij zijn eigen ouder(s), tenzij het echt niet anders kan. Het hof is van oordeel dat de noodzaak van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet is aangetoond. Het hof heeft de indruk dat de ouders van de minderjarige allebei een realistische kijk hebben op de situatie van hun kind. Zij begrijpen beiden dat de vader ondersteuning nodig heeft om voor de minderjarige te zorgen. Zijn dagopvang is op fietsafstand van het huis van de vader. Het hof ziet ook niet in waarom de vader geen ondersteuning zou kunnen krijgen van de gedragswetenschapper en de gezinshuishulpverlener door wie de gezinshuisouders de afgelopen tijd ondersteund zijn. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de GI zich ervoor zal inspannen dat alle hulpverlening die op dit moment wordt ingezet, blijft doorlopen als de minderjarige weer bij de vader verblijft.
Het hof is ook van oordeel dat geen sprake was van onmiddellijk en ernstig gevaar, waardoor een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing nodig was. Het hof vindt daarvoor niet voldoende dat de vader overvraagd was en dat een (anonieme) melding was gemaakt van een incident in een suptermarkt. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op zijn minst de procedure voor een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing had dienen te volgen.
Het hof is aldus van oordeel dat de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing ten onterechte zijn verleend. Het hof zal die beschikkingen dan ook vernietigen. Dit houdt in dat de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing vervallen en dat de minderjarige weer bij de vader geplaatst dient te worden.
De volledige uitspraak is hier te lezen.