Vader houdt eenhoofdig gezag
Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen partijen is in 2016 zoon Z geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder, maar woont sinds medio 2019 bij zijn vader.
Sinds april 2020 staat Z onder toezicht van de GI. In oktober 2020 krijgt hij zijn hoofdverblijfplaats bij de vader. Tussen Z en de moeder is een omgangsregeling van kracht.
De vader verzoekt de rechtbank om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over Z. De rechtbank wijst het verzoek toe. De moeder gaat hiertegen in hoger beroep.
Het hof overweegt het volgende.
Z is een kwetsbaar kind: hij is gediagnosticeerd met ASS-problematiek en heeft een zeer vertraagd ontwikkelingsniveau met spraak-taalachterstand. Toen Z nog bij de moeder woonde, is zijn gezondheid ernstig in gevaar gebracht. In 2019 is hij in het ziekenhuis opgenomen vanwege een vermoedelijke GHB-intoxicatie. Er zijn zorgmeldingen over de psychische toestand van de moeder gepleegd en het onverklaarbare neurologische beeld van Z. Volgens de hulpverlening is er bij de moeder sprake (geweest) van een drugspsychose en amfetamine-gebruik. Sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis verblijft Z bij zijn vader, waar hij het goed heeft. De vader is in staat gebleken om voor Z een veilige opvoedomgeving te creëren.
Voor alle kinderen is het noodzakelijk, maar voor een kind met de problematiek van Z des te meer, dat een verzorgende ouder in staat is om tijdig en onverwijld die gezagsbeslissingen te nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van het kind noodzakelijk zijn, en dat de andere gezagsdragende ouder deze beslissingen vervolgens niet blokkeert. De man is hierin teveel gehinderd toen er nog sprake was van gezamenlijk gezag; meermaals is hij afhankelijk geweest van rechterlijke beslissingen om in het belang van Z beslissingen te mogen nemen. Uit het dossier is gebleken dat de moeder in ieder geval bij navolgende incidenten haar ouderlijk gezag niet op een constructieve manier heeft ingezet:
1. de rechtbank heeft de vader in oktober 2020 vervangende toestemming verleend om Z aan te melden bij een gespecialiseerde BSO. De moeder heeft hierover verklaard dat zij dit moeilijk vond vanwege haar moedergevoel, juist omdat zij Z al zo weinig zag. Zij wilde niet tekenen voor de BSO, omdat zij in de uren dat Z daar zou zijn, zelf voor hem wilde zorgen;
2. in september 2021 liep Z een trauma op nadat de moeder hem, zonder toestemming van de vader en de hulpverlening, had meegenomen en Z uiteindelijk door de politie weer aan de vader is overgedragen. In april 2022 heeft de rechtbank de moeder verboden contact te hebben met Z gedurende de tijd dat hij EMDR-behandeling kreeg voor het trauma dat hij had opgelopen. Het verbod van de rechter was nodig omdat de moeder weigerde in te stemmen met de opschorting van de omgang, zoals werd geadviseerd door de therapeut van Z;
3. de rechtbank heeft de vader in oktober 2022 vervangende toestemming verleend om met Z in de herfstvakantie van 2022 naar Portugal te gaan. De moeder heeft hierover verklaard dat zij haar toestemming weigerde, omdat zij het moeilijk vond om de vader te vertrouwen, maar dat het niets te maken had met de vakantie op zich;
4. tijdens een kort geding in februari 2023 hebben partijen met elkaar afgesproken dat de moeder alle foto’s van Z van social media-platforms zal verwijderen, zulks op straffe van een boete. Gebleken is echter dat zij nog steeds een foto op TikTok heeft staan van haarzelf met Z. De moeder heeft hierover verklaard dat zij het moeilijk vindt om deze foto te verwijderen, omdat het voor haar een manier is om haar liefde voor Z te uiten.
Uit het voorgaande blijkt dat de moeder met haar gedrag en bewoordingen laat zien dat zij op momenten geen medewerking verleent aan gezagsbeslissingen, met name om uitdrukking te geven aan haar eigen frustratie over het beperkte contact met Z en het gemis van hem. Dat is vanuit haar moedergevoel begrijpelijk, maar schaadt de belangen van Z telkens opnieuw. Het hof wil Z hiertegen beschermen. Als de moeder het gezag over Z blijft houden, zal de vader haar om toestemming moeten blijven vragen voor alle belangrijke beslissingen die moeten worden genomen. Het vorenstaande laat zien dat dit al te vaak is vaak misgegaan. Het hof is van oordeel dat er geen sprake meer is van ‘incidenten’, maar van een patroon, waarbij het duidelijk is dat het de moeder niet lukt de belangen van Z te laten prevaleren boven haar eigen belangen.
Gezien alles wat er is gebeurd, en het feit dat de moeder nog steeds onvoldoende laat zien dat zij zich realiseert wat voor impact haar gedrag heeft op Z, acht het hof de moeder niet meer in staat om haar ouderlijk gezag op een verantwoorde wijze uit te oefenen. Het is daarom in het belang van Z noodzakelijk dat de vader voortaan alleen het gezag over Z heeft. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank.
De volledige tekst van de uitspraak is hier te lezen.